Opzet Nationaal Programma Pneumokokkenvaccinatie Volwassenen

In 2018 adviseerde de Gezondheidsraad om mensen van 60 tot en met 75 jaar vijfjaarlijks te vaccineren tegen pneumokokken. Hiermee zou de groep 60- tot en met 80-jarigen beter beschermd zijn tegen ziekte en sterfte door pneumokokken. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) stelt de pneumokokkenvaccinatie vanaf 2020 (gefaseerd) voor deze doelgroep beschikbaar via een programmatische aanpak met financiering vanuit de overheid.

Pneumokokkenvaccinatie op medische indicatie valt buiten het bestek van het NPPV.

Inhoud

Inclusiecriteria

In 2021 zijn de mensen geboren in 1948 tot en met 1952 aan de beurt (tabel 1). Zo worden de komende jaren alle 60- tot en met 79-jarigen, van oud naar jong, gevaccineerd. Daarna worden de ‘nieuwe’ 60-jarigen uitgenodigd, en wordt elk cohort vijfjaarlijks opnieuw uitgenodigd tot en met een leeftijd van 75 jaar.

Tabel 1. Volwassenen die in 2021 voor deelname aan het NPPV worden uitgenodigd.

Leeftijd6970717273
Geboortejaar19521951195019491948

Exclusiecriteria

Eerdere vaccinatie tegen pneumokokken kan een (tijdelijk) exclusiecriterium zijn. Wanneer hervaccinatie te snel plaatsvindt, is er een verhoogd risico op hyporesponsiviteit. Hierdoor worden er te weinig antistoffen aangemaakt en is de effectiviteit van het vaccin minder. Bovendien is er een verhoogd risico op bijwerkingen. Zie tabel 2 voor minimale intervallen.

Het is van belang te weten welke pneumokokkenvaccinaties een patiënt heeft gehad en wanneer. Mogelijk weet u niet altijd of een patiënt eerder een pneumokokkenvaccinatie heeft ontvangen, en zo ja, welk vaccin. In de uitnodigingsbrief is daarom een zin opgenomen waarin de patiënt wordt verzocht om contact op te nemen met de huisarts indien hij in de afgelopen 2 jaar een pneumokokkenvaccinatie heeft ontvangen.

Tabel 2. Minimumintervallen tussen de vaccins

Vaccin 1Vaccin 2MinimumintervalOverwegingen
PCV13 PPV232 maandenAls beide vaccins gegeven moeten worden, heeft het de voorkeur om eerst PCV13 te geven en daarna pas PPV23: dit geeft een betere immuunrespons.
PPV23 PCV131 jaarTe snel (< 1 jaar) na PPV23- een PCV13-vaccinatie aanbieden levert lagere antistoftiters op. Daarom is dit interval langer dan wanneer PPV23 na PCV13 wordt gegeven.
PPV23PPV232 jaarDit interval is bij voorkeur 5 jaar.
Als de laatste PPV23 ≥ 2 jaar geleden is, kan de patiënt volgens het programma gevaccineerd worden. Deze verkorte termijn geldt alleen om instroming in het programma mogelijk te maken voor uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld na chemotherapie, verblijf in het buitenland of eerdere vaccinatie bij een medische indicatie).
Als de laatste PPV23 < 2 jaar geleden gegeven is, wordt deze hervaccinatie overgeslagen en kan de patiënt na 5 jaar in het programma instromen. Het is niet nadelig als er eenmalig maximaal 7 jaar tussen de PPV23-vaccinaties zit. De patiënt kan er ook voor kiezen niet in te stromen in het programma.

De belangrijkste redenen voor een eerdere vaccinatie zijn een medische indicatie, vaccinatie op eigen verzoek, en deelname aan onderzoeken naar de effectiviteit van PCV13-vaccinatie bij volwassenen.

Bij een medische indicatie wordt eenmalig PCV13 gegeven en minimaal 2 maanden later PPV23. Vervolgens wordt de PPV23-vaccinatie levenslang iedere 5 jaar herhaald (dus ook na het tachtigste levensjaar). Wanneer deze patiënten op basis van hun leeftijd ook in aanmerking komen voor een vaccinatie via het NPPV, kunnen zij instromen in het programma. Daarbij is het wel belangrijk de minimale intervallen uit tabel 2 in acht te nemen.

PCV-vaccins zijn pas relatief kort op de markt. Vanaf 2000 worden ze in de Verenigde Staten gebruikt; in Nederland worden PCV-vaccins sinds 2006 grootschalig ingezet (binnen het RVP voor zuigelingen). Als uw patiënt langer geleden een pneumokokkenvaccinatie heeft gehad, zal dat dus een PPV-vaccin zijn geweest.

Pneumokokkenvaccinatie op medische indicatie valt buiten het bestek van het NPPV.

Bij de meerderheid van de gevaccineerde personen is de hoeveelheid antistoffen tegen de pneumokokkenserotypen in het PPV23-vaccin na 5 jaar gedaald tot ongeveer de hoeveelheid voor vaccinatie. De antistoftiters zijn in de eerste 2 jaar na vaccinatie het hoogst, maar dalen geleidelijk over de tijd. Op individueel niveau kunnen deze antistoftiters langer of korter aanwezig blijven.

Bij een korter interval is de stijging van de antistoftiters na een volgende vaccinatie vaak minder hoog dan bij een langer interval tussen de PPV23-vaccinaties. Deze verminderde respons houdt verband met de hoogte van de nog aanwezige antistoffen. De antistoffen na vaccinatie met PPV23 zijn na 2 jaar over hun hoogtepunt heen. Daarom is voor een minimuminterval van tenminste 2 jaar gekozen. Op die manier kunnen patiënten met een medische indicatie en de juiste leeftijd toch instromen. Hoe langer het interval is, hoe effectiever de volgende vaccinatie is.

Ook bijwerkingen zoals roodheid en zwelling op de plaats van vaccinatie na een volgende PPV23-vaccinatie lijken te zijn gerelateerd aan de hoogte van de nog aanwezige antistoftiters na de vorige PPV23-vaccinatie. Na een langer interval treden er minder bijwerkingen op.


(Tijdelijke) contra-indicaties

In de volgende situaties is er sprake van een contra-indicatie voor de pneumokokkenvaccinatie (zie ook de productkenmerken en patiëntenbijsluiter).

Absolute contra-indicatie:

  • Een eerdere anafylactische reactie op hetzelfde vaccin

Tijdelijke/relatieve contra-indicatie:

Wanneer een patiënt een acute infectie en/of koorts heeft, dient vaccinatie uitgesteld te worden tot de patiënt koortsvrij is.

Er is weinig bekend over de termijn die aangehouden moet worden tussen vaccinatie en een geplande operatie. Bij een geplande operatie is een termijn van ten minste 48 uur een goede periode. Mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn dan verdwenen, waardoor er geen verwarring op kan treden met eventuele postoperatieve complicaties. Er is geen reden om een operatie uit te stellen na een pneumokokkenvaccinatie.

Tijdens behandeling met chemotherapie komt de immuunrespons op dit vaccin niet goed op gang, afhankelijk van het type chemotherapie. Om die reden wordt de PPV23-vaccinatie bij voorkeur 2 weken voor start van de chemotherapie gegeven of uitgesteld tot minimaal 3 maanden na afronding van de behandeling. Wanneer een patiënt nog midden in een behandeltraject zit, kan hij zelf met de behandelend specialist overleggen wat het beste moment is voor de pneumokokkenvaccinatie.

Dit is anders dan bij de griepprik. De griepvaccinatie is een seizoensgebonden vaccinatie die jaarlijks herhaald wordt. De samenstelling van dit vaccin varieert per jaar. Aangezien de griepprik voor of in het griepseizoen gegeven dient te worden, is er minder flexibiliteit om deze prik uit te stellen. Hoewel de griepvaccinatie tijdens chemotherapie mogelijk minder effectief is, is het advies om deze kwetsbare patiënten wel de griepvaccinatie te geven om hen zoveel mogelijk bescherming tegen griep te bieden.

Voor patiënten die recentelijk een beenmergtransplantatie hebben ondergaan, is het aan de medisch specialist om te bepalen wat het juiste moment is om te vaccineren tegen pneumokokken.

De volgende situaties vormen geen contra-indicatie:

  • Actieve behandeling met bestraling
  • Behandeling met immunosuppressiva

Het gebruik van corticosteroïden is geen contra-indicatie voor het toedienen van het PPV23-vaccin. Bij een kortdurende stootkuur met corticosteroïden (< 14 dagen) wordt geen effect op de vaccinatierespons verwacht. Bij hogere doseringen is het vaccin mogelijk minder effectief, maar bij doseringen tot 20 mg prednison per dag wordt weinig tot geen effect verwacht op de vaccinatierespons.

Ook patiënten die andere immunosuppressiva gebruiken kunnen gevaccineerd worden. Mogelijk is de vaccinatie minder werkzaam dan bij patiënten die geen immunosuppressiva gebruiken, maar het is zeker veilig. Bij sommige aandoeningen kan de behandelend medisch specialist ervoor kiezen om voor de start van de behandeling te starten met PCV13- en/of PPV23-vaccinatie. Zie voor meer informatie de LCI-handleiding Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen.


Bijwerkingen

Er worden vrijwel uitsluitend milde lokale of systemische bijwerkingen gemeld, zoals roodheid, zwelling en pijn of griepachtige verschijnselen. Deze ontstaan doordat het afweersysteem bezig is antistoffen op te bouwen tegen de antigenen in het vaccin. Eventuele bijwerkingen verdwijnen binnen enkele dagen.

De lokale bijwerkingen kunnen uitgesprokener zijn dan de lokale bijwerkingen van de griepvaccinatie. Gelijktijdige griep- en pneumokokkenvaccinatie lijkt geen toename in bijwerkingen te geven ten opzichte van vaccineren op verschillende momenten. Om onderscheid tussen lokale bijwerkingen van de griep- en pneumokokkenvaccinatie te kunnen maken, wordt geadviseerd om bij gelijktijdige vaccinatie de griepvaccinatie links en de pneumokokkenvaccinatie rechts te geven.

Er is een zeer kleine kans op een anafylactische reactie bij een allergie voor (hulpstoffen in) het vaccin. In geval van een calamiteit (zoals een onverwachte anafylactische reactie) moet een arts binnen 15 minuten aanwezig kunnen zijn om deze adequaat te behandelen.

Vermoedelijke (ernstige) bijwerkingen moeten volgens de Geneesmiddelenwet gemeld worden bij het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb. De huisarts hoeft niet uit te zoeken of verschijnselen daadwerkelijk een causale relatie hebben met de vaccinatie.


Pneumokokkenvaccinatie | Uitvoering NPPV →

Bronnen