Pneumokokkenvaccinatie

In het kort

Vaccinatie geeft gedeeltelijke bescherming tegen infectie met pneumokokken en de gevolgen hiervan. Er zijn 2 soorten pneumokokkenvaccins: conjugaat- en polysacharidevaccins.

De pneumokokkenconjugaatvaccins PCV10 en PCV13 beschermen levenslang tegen respectievelijk 10 en 13 serotypen. Deze vaccins zijn sinds 2000 op de markt. Sinds 2006 wordt het PCV gebruikt in het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen.

Mensen met een medische indicatie krijgen volgens de huidige richtlijnen eerst een PCV13 (het hoogst valente PCV dat momenteel beschikbaar is), en daarna vijfjaarlijks een pneumokokkenpolysacharidevaccin (PPV23). Het PPV23 beschermt tegen 23 serotypen, die in 2015-2016 gezamenlijk 82% van de pneumokokkenziekte bij volwassenen in Nederland veroorzaakten (versus 35% in het geval van het PCV13).

In het NPPV wordt alleen geselecteerd op basis van leeftijd (60- tot en met 79-jarigen). Vaccineren op medische indicatie valt niet onder het NPPV. In het NPPV wordt gebruik gemaakt van het PPV23, dat een beperkte beschermingsduur heeft.

De meeste gezondheidswinst wordt bereikt als het PPV23 elke 5 jaar herhaald wordt. Vaker vaccineren wordt niet aangeraden, omdat niet valt uit te sluiten dat het vaccin minder effectief wordt (hyporesponsiviteit) en omdat de kans op bijwerkingen groter wordt.

Vaccinatie met PPV23 heeft nauwelijks invloed op het slijmvliesdragerschap en geeft daarom geen groepsbescherming.

Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de effectiviteit bij ouderen ≥ 80 jaar. Volgens de Gezondheidsraad is het echter aannemelijk dat bij hen de effectiviteit beperkt is, omdat er een verminderde respons is door veroudering van het afweersysteem.

In 2020 werd de pneumokokkenvaccinatie voor het eerst aangeboden aan alle 73 tot en met 79-jarigen. In dat jaar werd er onder deze doelgroep een vaccinatiegraad behaald van 73%. De vaccinatiegraad in dezelfde doelgroep was bij de griepvaccinatie met 75% een fractie hoger.


← Pneumokokken | Opzet NPPV →

Meer informatie

Welke verschillende vaccins zijn er en wat is de werking? 

De huidige beschikbare pneumokokkenvaccins ter preventie van pneumokokkeninfecties berusten allemaal op het kapselpolysacharide als antigeen. De verschillende vaccins bevatten 10 tot 23 van de > 90 verschillende kapselpolysachariden. De bescherming na vaccinatie berust op serotypespecifieke IgG-antistoffen gericht tegen het kapsel, die beschermen tegen invasieve ziekte en bij een hoge IgG-concentratie ook tegen acquisitie en vervolgens dragerschap van dit serotype pneumokokken. Er zijn 2 verschillende soorten vaccins: pneumokokkenpolysacharidevaccins (PPV) en pneumokokkenconjugaatvaccins (PCV). 

Pneumokokkenpolysacharidevaccins (PPV) 

Polysacharidevaccins induceren een T-cel-onafhankelijke respons, waardoor ze bij kinderen < 2 jaar, met een nog niet volledig uitgerijpt immuunsysteem, niet goed werken. Polysacharidevaccins zijn in staat om B-lymfocyten te stimuleren zonder de tussenkomst van T-helpercellen. Hierdoor wordt geen immunologisch geheugen opgebouwd en is de beschermingsduur beperkt. In Nederland is het 23-valente polysacharidevaccin beschikbaar: Pneumovax 23®. Dit vaccin biedt bescherming tegen de 23 meest voorkomende serotypen. 

Pneumokokkenconjugaatvaccins (PCV) 

Bij conjugaatvaccins zijn de polysacharide-antigenen gekoppeld aan een dragereiwit. Hierdoor treedt er een T-cel immuunrespons op, ook bij kinderen < 2 jaar. Hierdoor worden niet alleen plasmacellen gevormd die antistoffen produceren, maar wordt er ook een immunologisch geheugen opgebouwd, wat zorgt voor een langdurige bescherming tegen de in het vaccin opgenomen types. Er zijn in Nederland 2 conjugaatvaccins beschikbaar: PCV10 (Synflorix®) en PCV13 (Prevenar 13®), die bescherming bieden tegen respectievelijk 10 en 13 serotypen. Vermoedelijk komen ook vaxneuvance (PCV 15) en apexxnar (PCV20) binnenkort in Nederland beschikbaar.


Wie worden er gevaccineerd tegen pneumokokken? 

Behalve het programma pneumokokkenvaccinatie bij volwassenen worden kinderen gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) en komen ook patiënten die in een medische risicogroep vallen in aanmerking voor vaccinatie. 

Rijksvaccinatieprogramma 

In 2006 werd de pneumokokkenvaccinatie met PCV7 geïntroduceerd in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In 2011 is dit vervangen door PCV10, wat momenteel binnen het RVP aan kinderen op de leeftijd van 3, 5 en 11 maanden oud wordt gegeven. Kinderen die hun pneumokokkenvaccinaties hebben gemist, kunnen deze tot de leeftijd van 2 jaar inhalen.

Vaccinatie bij medische risicogroepen 

Wanneer er een medische indicatie is voor vaccinatie tegen pneumokokken, wordt er eerst met het hoogst-valente conjugaatvaccin (in 2022 PCV13) gevaccineerd en vervolgens na minstens 2 maanden met PPV23. PPV23 wordt levenslang iedere 5 jaar herhaald. Voor de huisarts zijn alleen sikkelcelziekte en (functionele) asplenie van toepassing. Voor het indiceren van overige medische indicaties ligt de verantwoordelijkheid bij de behandelend specialist in de tweede lijn.

Vaccinatiegraad 2020

In 2020 werd 6.1% van de Nederlandse bevolking uitgenodigd voor een pneumokokkenvaccinatie, namelijk mensen geboren in de jaren 1941 t/m 1947 (leeftijd 73 t/m 79 jaar). Binnen deze leeftijdsgroep was de vaccinatiegraad 73% en verschilde nauwelijks tussen de geboortejaren. De vaccinatiegraad bij dezelfde doelgroep voor de griepvaccinatie was met 75% iets hoger. Er is een sterke samenhang tussen de pneumokokkenvaccinatie en de griepvaccinatie. Mensen die een pneumokokkenvaccinatie ontvingen, haalden vaak ook een griepvaccinatie (94%). Bij de mensen die geen pneumokokkenvaccinatie ontvingen, haalde maar 24% een griepvaccinatie. De meeste mensen kiezen dus voor beide vaccinaties of geen van beide.

Gegevens over de vaccinatiegraad 2021 zijn ten tijde van het verschijnen van deze handleiding nog niet bekend en worden doorgaans na de zomer van het volgende jaar door Nivel gepubliceerd.


Is er sprake van indirecte bescherming voor ouderen door de vaccinatie van kinderen en patiënten uit risicogroepen? 

Sinds de invoering van de pneumokokkenvaccinatie in het RVP is invasieve pneumokokkenziekte veroorzaakt door de serotypen in het vaccin sterk afgenomen bij zowel gevaccineerde als ongevaccineerde leeftijdsgroepen. Dit komt doordat vaccinatie met PCV10 het dragerschap van deze 10 serotypen bij kinderen vermindert, waardoor de transmissie van deze serotypen naar andere leeftijdsgroepen, bijvoorbeeld ouderen, wordt verlaagd. Deze serotypen veroorzaken daardoor minder vaak ziekte. Door vaccinatie neemt het dragerschap van deze serotypen af, maar deze worden vervangen door serotypen waartegen PCV10 niet beschermt. Dit wordt ‘typevervanging’ (replacement) genoemd. Hierdoor neemt ziekte door andere serotypen toe, met name bij ouderen. 

In 2015-2016 werd 35% van de gevallen van invasieve pneumokokkenziekte veroorzaakt door serotypen die in PCV13 zitten, terwijl 82% werd veroorzaakt door serotypen die in PPV23 zitten. De huidige vaccinatie van mensen met een ernstig verstoorde afweer leidt nauwelijks tot bescherming van ouderen in de bevolking. 


Wat is de effectiviteit van het NPPV? 

De gemiddelde vaccineffectiviteit voor IPD door 1 van de vaccintypes is (conservatief) geschat op gemiddeld 37% en voor pneumokokkenpneumonie op gemiddeld 7,5% over de beschermingsduur van 5 jaar. Hoewel de effectiviteit en de beschermingsduur niet optimaal zijn, leidt vaccinatie tot een aanzienlijke reductie van sterfte en ziekte door pneumokokken.


Wat zijn de mogelijke bijwerkingen?

Er worden vrijwel uitsluitend milde lokale of systemische bijwerkingen van de vaccinatie gemeld, zoals roodheid, zwelling en pijn op de plek waar de vaccinatie is toegediend of griepachtige verschijnselen. Deze ontstaan doordat het afweersysteem bezig is antistoffen op te bouwen tegen de antigenen in het vaccin. Eventuele bijwerkingen verdwijnen binnen enkele dagen.

De lokale bijwerkingen kunnen uitgesprokener zijn dan de lokale bijwerkingen van de griepvaccinatie. Gelijktijdige griep- en pneumokokkenvaccinatie lijkt geen toename in bijwerkingen te geven ten opzichte van afzonderlijk op verschillende momenten vaccineren. Om onderscheid tussen lokale bijwerkingen van de griep- en pneumokokkenvaccinatie te kunnen maken, wordt geadviseerd om bij gelijktijdige vaccinatie de griepvaccinatie links en de pneumokokkenvaccinatie rechts te geven.

Vermoedelijke (ernstige) bijwerkingen moeten volgens de Geneesmiddelenwet gemeld worden bij het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb. Huisartsen hoeven niet uit te zoeken of de verschijnselen daadwerkelijk een causale relatie hebben met de vaccinatie.

Er is een uitzonderlijk kleine kans op een anafylactische reactie bij een allergie voor bestanddelen van het vaccin. In geval van een calamiteit (zoals een onverwachte anafylactische reactie) moet er binnen 15 minuten een arts aanwezig kunnen zijn om deze adequaat te behandelen.


← Pneumokokken | Opzet NPPV →

Bronnen